Placement Test Dutch

crossXculture (Frankfurt, Germany)

Danke, dass Sie unseren unverbindlichen Einstufungstest nutzen, um Ihr Sprachniveau zu überprüfen.

Dieser Einstufungstest prüft Ihre aktuellen Sprachkenntnisse in den Niveaustufen von A1 Starter (Einsteiger) bis einschließlich B2 Upper Intermediate (Gutes Mittelmaß). Er kann als Hilfsmittel zu Rate gezogen werden, um die schnelle Bildung von Lerngruppen zu vereinfachen. Seien Sie unbesorgt, wenn Sie nicht alle Fragen beantworten können. Schließlich sollen Sie in Ihrem Sprachkurs etwas Neues lernen.

Tragen Sie am Ende dieses Tests Ihren Namen und Ihre eMail Adresse in die dafür vorgesehenen Felder ein, denn Sie erhalten Ihr Testergebnis inklusive Korrekturen an Ihre eMail Adresse. Bitte geben Sie auch an, ob wir Sie zur Erstellung eines persönlichen Kursangebots kontaktieren dürfen. Nutzen Sie dazu gerne auch unser Kontaktformular.

Hinweis:
Nehmen Sie sich ausreichend Zeit, um diesen Test auszufüllen. Der Test kann nur am Stück ausgefüllt werden, da Sie Ihre Antworten nicht zwischenspeichern können.



Wir wünschen Ihnen viel Spaß beim Ausfüllen des Tests.


1.

Ken je _____ het is een leuke meid.

2.

Hij is _____ het ziekenhuis.

3.

En _____ mijn oma zeg ik u.

4.

Mevrouw Van Dijk _____ uit Deventer?

5.

_____ jij de nieuwe collega?

6.

Spreek je _____?

7.

Hij woont _____ zijn vriendin.

8.

Oh, maak je geen zorgen met hem gaat het.

9.

Jullie _____ met het mooie weer zeg.

10.

Waar _____ margreetje vandaan?

11.

Ik bedoel de vrouw van zijn broer, is zij zijn _____.

12.

Ja, hij is een beetje dik, maar dat valt bij. Zijn _____ niet zo op.

13.

Wie zij de _____ fietsfanaten van Europa?

14.

Zij wonen _____ de gracht.

15.

Zal ik je _____ ophalen?

16.

Hoe heten de twee broers van je?

17.

Hoe lang rijdt de bus naar Vlissingen?

18.

De bus _____ van Amsterdam naar Amstelveen.

19.

De jongens gaan _____ Felix aan.

20.

Hij komt _____ 7 uur aan.

21.

Hoeveel lessen heeft u nog?

22.

Zij zegt Karel dat die _____ goed staat.

23.

Je hebt wel een heel _____ rok aan.

24.

Dat is een _____ man.

25.

_____ 20 minuten is het 4 uur.

26.

Er zijn twee _____ en één vrouw.

27.

Ik heb de vis in een pan _____.

28.

Heb je ook _____ in een kopje koffie?

29.

Ik ben _____ vroeg opgestaan.

30.

We _____ zaterdag verhuisd.

31.

We hebben _____ gesproken.

32.

Hij woont _____ de hoek.

33.

De trein vertrekt _____ spoor 9.

34.

Hij is _____ de boom geklommen?

35.

_____ is de fiets.

36.

Ik _____ bang om te vliegen.

37.

Ik heb in de stad _____.

38.

Hij _____ mij al drie keer.

39.

Dat _____ ik niet van mijn moeder.

40.

Ik _____ dat doen.

41.

Dat heeft zij uit haar _____ geleerd.

42.

_____ koop je _____?

43.

Hij heeft _____ pijn.

44.

Hij is een echte _____.

45.

_____ bent u naar de dokter gegaan.

46.

Wat is een bewegingsactiviteit?

47.

Welk feest is voor kinderen het belangrijkst?

48.

Zij is met de _____ over de sloot geslaagd.

49.

Hij heeft haar voor het examen grondig _____.

50.

_____ advies voor _____ probleem.

51.

_____ antwoord hoort bij _____ vraag?

52.

Ik _____ net te denken?

53.

Hij is heel erg _____.

54.

Hij heeft drie _____ bier.

55.

Wil je een _____ taart?

56.

Wil je een _____ koffie.

57.

_____ heb je verjaardag?

58.

_____ heeft gisteren piza's _____.

59.

Heb je al koffie _____.

60.

Hij heeft _____ zeuren.

61.

Ik _____ het vergeten.

62.

Hij heeft krom _____ van het lachen.

63.

Dat komt me _____ uit.

64.

Ik denk dat hij _____.

65.

Het _____ mooi weer.

66.

Janneke en Paulien spreken _____ het weer.

67.

Het zijn meerdere grote winkel _____.

68.

Ik _____ een flatje huren.

69.

We gaan met _____ naar de bioscoop.

70.

_____ koop je _____?

71.

Ik ga vroeg _____ huis.

72.

Woont hij _____ of _____ jou?

73.

Nee zij _____ geen sla.

74.

De _____ letter is een 'j'.

75.

_____ het nu zelf.

76.

_____ maakt ze een afspraak?

77.

_____ meubels _____ je leuk?

78.

Wat _____ vroeger in _____ kamer?

79.

Heb je liever _____ ham op je brood?

80.

Hebben we het _____ al uitgekozen.

81.

_____ Nederlands spreekt hij ook nog Engels en Spaans.

82.

Ik zit nog wel een uurtje _____ kantoor.

Bitte geben Sie das folgende Captcha ein: